Boetzelaer, Wessel van den (ca. 1360-1437/39)

Wessel van den Boetzelaer, heer van den Boetzelaer (1397), rentmeester (1415), erfschenker van hertogdom Kleef (1417), zoon van Rutger van den Boetzelaer en Elisabeth van Bijlant, geboren ca. 1360, overleden 1437-1439

Gehuwd 1390 (huwelijkse voorwaarden 27 juni 1390) met

Beatrix van Ghemen, dochter van Herman van Ghemen en Herberga van Zuijlen van Anholt

Gehuwd > 1404 met

Lutgard van Heeckeren genaamd van Rechteren, dochter van Sweder van Heeckeren en Sophia van Groesbeek, geboren ca. 1385, overleden < 1451

 

Bronnen: 1) Het geslacht Van den Boetzelaer. De historische ontwikkeling van de rechtspositie en de staatkundige invloed van een belangrijk riddermatig geslacht, J.W. Des Tombe 1921, bewerkt door C.W.L. baron van Boetzelaer 1967. Assen, 1969, 2) ecal.nu, 3) archive.nrw.de, 4) De kasteelen Aldenghoor en Tassigny, in verband met het geslacht Van den Boetzelaer, J.W. des Tombe. In: De Navorscher, jrg. 55 (1905), pag 23-52

Op 8 juli 1376 moet Johan van Grieth namens de graaf van Kleef oerveede zweren aan de aartsbisschop van Keulen, aan het aartsstift, aan de ambtman van Aspel Rutger van den Boetzelaer en diens zoon Wessel, en aan de stad Rees.

Op 4 februari 1385 ‘den neesten saterdaege nae onser vrouwen daege purificationis’ verpanden ridder Rutger van den Boetzelaer en zijn zoon Wessel aan de graaf van Kleef de hof te Westrich in de parochie Till. Tevens verklaren zij op 4 februari het gelijknamige huis (Boetzelaer) tot open huis voor graaf Adolf van Kleef.
Op 17 februari 1385 zweren heer Rutger van den Boetzelaer en Wessel, zijn zoon, oervede aan de stad Keulen, wegens de gevangenneming van Rutger binnen haar muren.
Op 4 juli 1385 doen ridder Rutger van der Botzelar en Wessel, zijn zoon, afstand ten gunste van hertog Wilhelm II en hertogin Maria van het goed genaamd ‘Die Spicke’, gelegen tussen Griethausen en Elten, dat eerder aan hertogin Mechtild van Gelre, gravin van Bloys, had toebehoord.

Op 4 september 1386 verpandt heer Rutger van den Boetzelaer voor 1000 oude gouden schilden het gericht en de heerlijkheid Hernen aan de graaf van Kleef, met toestemming van zijn zoon Wessel. De graaf beleent er Arnt van Hoemen, ridder, heer van Amersoij, mee.

Op 18 juli 1392 ‘den donresdagh neest na der heilgen apostelen daig divisio’ geven ridder Rutger van den Boetzelaer en zijn zoon Wessel een kwitantie aan graaf Adolf van Kleef voor de 1550 gouden schilden die zij als aflossing op hun vordering hebben ontvangen.

Op 7 januari 1395 doet de graaf van Kleef uitspraak in een geschil tussen heer Rutger van den Boetzelaer en zijn zoon Wessel, waarin de moeder partij voor haar zoon kiest. De uitspraak van de graaf van Kleef luidt dat Wessel en zijn moeder de goederen in de Betuwe (Ewijck en Beuningen) zullen houden, drie hoeven aan de Klaphecke bij Raederbroek, alles wat ligt aan gene zijde van het woud, dat Udem is, de tienden van Keijst en goed Langendonck dat Sander van Eijl gewonnen heeft. Wanneer de zoon op den Boetzelaer komt, zal de vader hem eten en drinken geven met twee knechten en drie paarden. Zij zullen elkaar geen schade toebrengen. Als Wessels’ vader Rutger ook met de graaf van Kleef in onmin raakt, wordt hem den Boetzelaer ontnomen.

Op 25 maart 1397 schenkt de graaf van Kleef de burcht Boetzelaer aan Wessel, en het personeel (gesijnde, wechter, poirnener, kelner, taernlude) moet de graaf huldigen en de eed van trouw zweren. Noch heer Rutger noch zijn knechten mogen voortaan meer op de burcht worden toegelaten. Wessel van der Bötzler, zoon van Rutger, is akkoord dat graaf Adolf van Kleef hem het huis Botzler heeft toegewezen voor bewaking en dienstbaarheid aan de graaf voor de duur van zijn leven, met […] erfopvolging voor een zoon. Echter, de voogdij van Hanzlar en de visserijrechten in Mehr zijn door graaf Adolf voorbehouden.

Op 28 april 1399 Wessel van den Boetzelaer belooft Dirk van Wisch, ridder, schadeloos te houden voor borgtocht van 250 oude schilden tegenover Hendrik van Hönepel.

Op 19 mei 1402 speelt een kwestie tussen Wessel van den Boetzelaer en het kapittel van Kleef over een rente uit goederen in Birck, hem aangekomen van heer Bernhard van Galen. De graaf van Kleef treedt op als scheidsrechter.

In 1406 is er strijd tussen Kleef en Luik. Aan de zijde van Kleef strijden Wessel van den Boitzler, Rutger van den Boitzler en diens zoon Otto, en Diederik van Boitzler. 

Op 26 oktober 1412 maakt Wolterus de Keldunck, kanunnik van het kapittel van Sint Andreas te Keulen, zijn testament. Hij laat zijn goederen in het land van Kleef na aan Wesselonus de Boetzeler en Elbertus de Alpen. Hij legateert de inkomsten van zijn goederen, met name van de hof ther Weije in de parochie Kalkar, gedurende het eerste jaar na zijn overlijden aan de nieuwbouw van de kerk te Kalkar en aan de broederschap van Onze Lieve Vrouwe aldaar en gedurende het tweede jaar aan de bouw van de kerk van het Maria-kapittel te Kleef.
Op 19 november 1412 ‘up sunte Elizabeth dach beate virginis’ oorkondt Bertolt Evertsz, richter in het kerspel Pannerden, dat Wessel van den Boitzeler en zijn vrouw Lutgard recht van wederinkoop verleenen aan heer Frederick, heer van den Berg en Bijland, en heer Otte van der Lecke, heer to Hedel, voor de Duenen in het kerspel Pannerden en 4 morgen tusschen de meent aldaar en de Rijndijk.

Op 28 april 1417 wordt graaf Adolf van Kleef verheven tot hertog. Hij stelt bij deze gelegenheid efelijke hofambten in. Op 24 augustus 1417 wordt Wessel van de hertog van Kleef beleend met het ambt van opperschenker van Kleef, waarbij hij de helft van twee hoeven in leen krijgt. Wessel aanvaardt het ambt maar heeft zich uit onwille daarvan nooit in possessie gesteld. 

Wessel erft van zijn overgrootvader Robbert van Appeltern de kerkegift van Winssen. In ongedateerde brieven (tussen 1409 en 1423) krijgt Wessel van den Boetzelaer van zijn zwager Frederik van Heeckeren van Rechteren, bisschop van Utrecht, het verzoek de kerk in Winssen, nu in handen van Willem van Wije, te begeven aan Gerrit Stuurman, kanunnik te Xanten, en na diens afstand aan Johannes van Wije, zoon van Willem.

Op 14 februari 1439 ‘St. Valentijnsdach’ voltrekt hertog Adolf van Kleef en keurt de erfdeling goed van de nagelaten kinderen van ridder Wessel van den Boetzelaer en hun overige in het hertogdom Kleef gelegen goederen. In een magescheid opgemaakt tussen Lutgard van Rechteren genaamd van Heeckeren en haar kinderen, is vermeld dat de hertog het slot Boetzelaer van wijlen heer Rutger gewonnen heeft en hetzelve uit genade aan diens zoon Wessel heeft gegeven, maar dewijl Wessel verscheidene kinders heeft, zo vergunt hij dit magescheid op te maken en zal hij het zelf mede bezegelen. Tevens verklaart de hertog dat hij ieder der gebroeders Rutger, Sweder, Johan en Diderik met de hun toegedachte goederen in het bijzonder beleent, tot een achtermanleen en met mansleenrechten. Rutger verkrijgt den Boetzelaer.

 

Uit het 1e huwelijk:

Bata van den Boetzelaer, geboren ca. 1391, overleden ≥ 1445. Gehuwd met Gerard van Rheijdt, ridder, heer van Rheijdt, zoon van Johan van Rheijdt en Margaretha Scheiffart van Merode

Uit het 2e huwelijk:

Rutger van den Boetzelaer

Elisabeth van den Boetzelaer, geboren ca. 1407, overleden > 15 mei 1473. Gehuwd met Godert van der Reck, zoon van Herman van der Reck en NN van Alpen

Sophija van den Boetzelaer, geboren ca. 1409, overleden ≥ 1500

Agnes van den Boetzelaer, geboren ca. 1411, overleden 8 april < 1480

Sweder van den Boetzelaer, leenman van de hertog van Kleef, geboren ca. 1413, overleden 1440-1442

Johan de Boetzeler, geboren ca. 1415, overleden 1440-1442

Derick van den Boitselair, leenman van de hertog van Kleef, medestichter van de broederschap van St. Lambertus te Apeldoorn (1455), geboren ca. 1418, overleden 1484-1486

Hendrik de Botzelaer, kannunik te Xanten (1445), proost van Kraneburg (1446), medestichter van de broederschap van St. Lambertus te Apeldoorn (1455), geboren ca. 1424, overleden 1480

10  Frederik van den Boetzelaer, geboren ca. 1426, overleden > 7 mei 1439

11  Zeger van den Boetzelaer, kannunik te Xanten, medestichter van de broederschap van St. Lambertus te Apeldoorn (1455), geboren ca. 1427, overleden ≥ 1481