Jan van Langerack, ridder, heer van Langerak en half-Nieuwpoort, dijkgraaf van de Alblasserwaard (1409), drost van het land van Altena (1411-1417), kastelein van Loevestein (1411-1413), tollenaar van Woudrichem (1414-1420), baljuw van Schoonoven (1422), zoon van Ghijsbrecht van Langerack en Bertha van Blois, overleden 1436-1437
Gehuwd met
Elburg van Polanen, vrouwe van half-Asperen, dochter van Otto van Polanen en Johanna van Voorst en Keppel
Gehuwd < 28 mei 1423 met
Agnes van Ahaus, abdis van Nottuln (D) (1438-1467), dochter van Ludolph van Ahaus en Johanna de Dave, overleden 28 december 1467
Bronnen: 1) onsvoorgeslacht.nl, 2) Van Langerak (uit Teijlingen), B. de Keijzer, 2023, 3) Repertorium op de lenen van de hofstede Arkel in de Vijfherenlanden, 1376-1648, J.C. Kort. In: Ons Voorgeslacht, jrg. 39 (1984), 40 (1985) en 44 (1989), 4) Repertorium op de lenen van de hofstede Arkel in de Alblasserwaard, 1317-1650, J.C. Kort. In: Ons Voorgeslacht, jrg. 40 en 44 (1985 en 1989), 5) Repertorium op de lenen van de Graaf van Holland in Gelre, 1279-1646, J.C. Kort. In: Ons Voorgeslacht, jrg. 42 en 43 (1987 en 1988), 6) Leenkamers van de graven van Blois, 1282-1650, J.C.. Kort. In: Ons Voorgeslacht, jrg. 39-40 (1984-1985), 7) Repertorium op de lenen van Teilingen, 1258-1650, J.C. Kort. In: Ons Voorgeslacht, jrg. 40 en 43 (1985 en 1988), 8) Repertorium op de lenen van de hofstede Heukelum, 1383-1684, J.C. Kort, 9) regionaalarchiefrivierenland.nl, 10) geldersarchief.nl, 11) hetutrechtsarchief.nl, 12) collectieoverijssel.nl, 13) Het geslacht Van den Boetzelaer. De historische ontwikkeling van de rechtspositie en de staatkundige invloed van een belangrijk riddermatig geslacht, J.W. Des Tombe 1921, bewerkt door C.W.L. baron van Boetzelaer 1967. Assen, 1969
Op 13 juni 1400 beloken Pinksteren wordt Johan door zijn neef, de heer van Arkel, beleend met het huis en hofstede Langestein met 24 morgen land en 5 morgen land in Coppekertsweer, alsmede de helft van Nieuwpoort met gerecht en heerlijkheid hoog en laag en toebehoren, waarvan de heer van Liesveid de andere helft houdt van Arkel. Op 2 maart 1406 is Jan beleend met het huis te Langerak met 12 morgen land, waar het op staat, en de windmolen aldaar. Op 16 maart 1420 Jan van Langerak. Op 6 april 1439 Rutger van den Boetzelaer voor Elburg van Langerak, zijn vrouw, bij dode van heer Jan haar vader.
Op 12 februari 1410 is Jan van Langerak beleend met de tienden van Ammersgraafland, bij overdracht door Helmich van Doornik voor Johanna, zijn zuster. Op 26 mei 1418 Jan van Langerak. Op 16 maart 1420 Jan van Langerak. Op 26 december 1430 lijftocht van Agnes van den Naehuse, gehuwd met Jan van Langerak. Op 6 april 1439 Rutger van Boetselaar voor Elburg van Langerak, zijn vrouw, bij dode van heer Jan, haar vader.
Op 10 april 1410 komen Arent van Leijenberg, Jan van Langeraeck en Philips van der Lecke, bastaert, overeen zo er aan enig goed, dat zij onderling gedeeld hebben een gebrek blijkt te kleven, de schade daaruit gezamenlijk te dragen en ook overigens ongedeelde goederen of opbrengsten gelijk te verdelen.
Op 13 mei 1413 wordt Johan het drossaardschap en rentmeesterschap van de kleine tol te Woudrichem en de slootvoogdij van Loevestein door Willem van Beieren bevolen. Op 18 oktober 1415 bezit Johan nog steeds de kleine tol te Woudrichem, als de andere tollen in het openbaar verpacht worden. Johan bezit met Arend van Leijenburg de heerlijkheden en goederen van Giessen in leen, die zij op 25 juli 1413 aan de hertog overgeven, die vervolgens de heren en ambachtsheren in de Alblasserwaard, die de dijk hebben gemaakt, er mee beleent.
Op 15 augustus 1416 belooft Johan met andere edelen en steden van Zuid-Holland vrouwe Jacoba na de dood van haar vader als erfdochter en leenvervolgster te zullen ontvangen en huldigen. Zij geeft hem op 20 juli 1417 namens haar het bestuur over de goederen van de heren Jan en Willem van Egmond. In 1418 wordt Johan aangesteld als kastelein van Loevestein, waarover hij in 1419 een verschil heeft met Jacob bastaard van de Leck.
In 1420 wordt Johan van Langerak met Langestein, met half Nieuwpoort en met de goederen van zijn vader beleend.
In 1424 verzoekt hij Walraven van Meurs om neutraliteit in de oorlog tussen Gelre en het Sticht. Hij strijdt in de veldslag bij Alphen aan de zijde van Jacoba en is daar tot ridder geslagen.
Op 16 november 1424 is Dirk van Heukelum, neef van Jan, heer van Heukelum, Lienden en Millingen, leenheer, beleend met de Koudenhovense waard of Kornewaard in Heukelum met de Ketterswaard met toebehoren, zijnde weiden, grienden, riet en steenplaatsen behalve heerlijkheid, tienden, visserij en ‘optogen’ tussen de Hoofddijk en de Linge, gelegen tegen Vrieswijk, voor het erfdeel van Dirk, zijn vader, van 1000 oude schilden, eventueel te komen aan de leenheer of te lossen, met lijftocht van Zweder Dirks, zijn moeder, welke schikking gemaakt is door Dirk van Lienden, heer van Hemmen, Otto van Haaften, ridders, Jan van Langerak, Otto van Heukelum, Gozewijn van Lienden, Rudolf van Dalem, Koen van Oosterwijk, Dirk, bastaard van Heukelum, Gerard, bastaard van Acquoy, Bruisten, bastaard van Acquoy, Jan, bastaard van Heukelum, en Otto, bastaard van Hendrik van Heukelum, knapen, verwanten van de leenheer.
In 1430 tocht Johan zijn tweede vrouw Agnes aan tienden en aan de molen te Langerak en maakt in 1433 een magescheid met zijn schoonzoon en dochter over de nalatenschap van zijn eerste vrouw. Daarbij ontvangt zijn dochter 100 rijnsche guldens en wordt getocht. Voor het overige wordt zijn dochter Elburg zijn erfgename, alles voorbehoudens de tocht aan zijn moeder, vrouwe Bertha en aan zijn zusters Bertha, de abdis van Rijnsburg, en Johanna.
Ca. 1430 erkennen Goedscalck van Brakell, Johan heer tot Langeraeck en Vrederick uten Hamme schuldig te zijn aan Herman van Keppell, landkommandeur van de Duitsche orde te Utrecht, 100 Fransche kronen.
Op 27 maart 1433 ‘op den vrijdag na den sonendage als men in der heijligen kirchen ten inganck van der misse singt Letare’ verklaren Willem, zoon tot Egmonde en broer tot Gelre, en Frederik van Rechteren, heer van Voirst, van Asperen en van Keppel, dat zij een verbond hebben gesloten over de stad Asperen. Willem zal Frederich helpen stad en slot Asperen te verkrijgen. Frederich zal als dit gelukt aan Willem binnen een jaar 500 Rijnse guldens betalen en binnen het volgende jaar 550 Rijnse guldens. Willem zal Fredrich binnen Lederdame bescherming bieden. Willem zal op verzoek van Frederich de vijand worden van heer Johan van Langerack en diens bondgenoten, uitgezonderd de hertog van Bourgonnijngen, zijn broer de hertog van Gelre en de vrouwe van Hollant. Frederich verbindt zich tot vrijwillige gijzeling binnen Arnhem bij het niet nakomen van zijn geldelijke verplichtingen.
Op 22 april 1433 ‘in onser stede van Rotterdam’ beslist Philips, hertog van Boirgondien etc, in de geschillen ontstaan na den dood van den heer van Voorst en van Asperen, tusschen Vrederic van Rechteren namens zijn vrouw, en heer Jan van Langeraeck namens zijn dochter, dat zijn raden en kamerlingen heer Roeland van Uutkercke, heer van Meestert en Heemsrode, en heer Huge van Lannoij, heer van Santis, een uitspraak zullen doen. Aansluitend sluiten Jan, heer van Langerak, Rutgeer van Boetzelaer en Frederic van Rechteren, een overeenkomst om zich in zake de scheiding der nalatenschap van Jan, heer van Asperen en van Voorst, te onderwerpen aan de uitspraak van met name genoemde scheidslieden.
Op 16 december 1433 maakt heer Jan, heer tot Langerak, een magescheid met Rutger van den Boetzelaer en Elburg van Langerak wegens de nalatenschap van zijn vrouw Elburg en wegens het slot en de stad van Asperen, behoudens de lijftocht aan diens tweede vrouw Agnes van Ahuijs. Rutger verkrijgt direct al half Asperen. De andere helft van Asperen komt aan Belia van Polanen, gehuwd met Arend Pieck. Zij bezitten daar ieder een slot, Rutger aan de noordzijde en Arend aan de zuidkant van de stad. In 1433 regelen Johan, heer van Langerak, en zijn dochter Elburg, vrouw van Rutger van den Boetzelaer, de terugbetalen van een bedrag van 600 bourgondische schilden en 1130 gelderse guldens dat Johan van Rutger geleend had onder verband van de heerlijkheid Asperen. Rutger zal vervolgens aan heer Jan 600 schilden geven om Goudriaan, dat aan de heerlijkheid Langerak gelegen is en waarmede Floris van Kijfhoek beleend was, te lossen, waarbij Jan belooft dat Goudriaan en Langerak na zijn dood aan Rutger en zijn vrouw zullen komen, behoudens de lijftocht aan Agnes van Ahuijs. Rutger belooft Reinald van Homoet en Gijsbert Pieck te voldoen voor hetgeen heer Jan hen schuldig was, alles met voorbehoud van de lijftochten aan heer Jans moeder Bertha, en van Elburgs zusters Johanna en Berta, nonnen te Rijsburg. Rutgerr belooft Asperen niet te zullen verkopen of verzetten dan met consent van heer Jan en van Jan van Arkel van Heukelom.
Uit het 1e huwelijk:
2 Johanna van Langerack, non te Rijnsburg
3 Berta van Langerack, non te Rijnsburg